NOOIT MEER DANSEN

Ik stond afgelopen zaterdag op een festival, twee biertjes in mijn handen. Heerlijk zonnetje, briesje die de ergste hitte wegblies, weerzien met oude bekenden. Het leven was mooi, zo’n dag.

Opeens ontploften Twitter en WhatsApp. Er was iets met Nouri. Direct bezorgdheid. Ambulance, helikopter, schermen, reanimatie. Dokter De Winter vocht voor het leven van die kleine. Huilende mensen langs de lijn.

Uren later een enigszins geruststellende verklaring van Ajax. Stabiel, buiten levensgevaar. Het waren ‘slechts’ hartritmestoornissen. Slapend herstellen en daarna geleidelijk optrainen. Meestrijden om het kampioenschap, de wereld laten zien dat hij terug was. Dacht ik.

Al heel lang zong het rond op De Toekomst. We hebben een nieuwe Cruijff, eindelijk. Het voorbije seizoen de bekendheid bij het grote publiek. Met een schijntrap de tegenstander om laten kukelen, die onnavolgbare assist in Oranje, z’n eerste goal in Ajax 1 na toestemming van voetbalvader Lasse. Uitzonderlijk talent, door z’n geweldig karakter alom geliefkoosd. Een toekomst in de grootste stadions voor Appie in het verschiet.

Het was op 26 oktober, ik weet het nog goed. Tegen Kozakken Boys. Appie eiste iedere bal, dartelde en gaf onmogelijke steekballen. Openingen creëren die helemaal niemand had gezien. Als een dansende ballerina tussen de tegenstanders. Gracieus en ongrijpbaar. Exponent van het nieuwe Ajax: het publiek vermaken én presteren.

Vandaag het nieuws. Als een bom. Blijvende en ernstige schade. We weten allemaal wat dat betekent. Appie zal nooit meer dansen. En dat doet zo enorm veel pijn.

Advertenties
NOOIT MEER DANSEN

HET VERDRIET VAN DE DOOD

Mijn zoontje trok de zwarte stop uit het varken en schudde. Net zolang totdat al z’n spaarcentjes op tafel lagen. Hij wilde hamsters gaan kopen. We zochten naar informatie op internet. Russische dwerghamsters zouden het worden, want die kon je gemakkelijk tam maken. In de dierenwinkel. Een kooitje, een zak zaagsel, voer, een huisje, zo’n drinkfles en een reuzenrad. En natuurlijk de beestjes zelf, twee stuks. Ze kregen een prominent plekje in het gezellige kamertje van hun nieuwe baasje. Mijk en Djimmy verschrikkelijk welkom.

De eerste weken waren spannend. Vooral voor mij. Zouden het wel twee mannetjes of twee vrouwtjes zijn? Die dingen wippen als een dolle. Ik zag mijzelf al in het holst van de nacht door de wijk struinen op zoek naar een geschikt plekje om een emmer vol pluizenbolletjes het vrije leven te gunnen. Nageslacht kwam er gelukkig niet. Zoonlief leerde zijn huisdiertjes echt kennen, zag ook de uiterlijke verschillen. Mike de rustige met een vlekje meer en Jimmy de donderstraal. Soms moest hij streng zijn voor zijn kroost als het weer eens hommeles was. Om een einde te maken aan het gekrijs en gebijt werd dan de aanstichter van de ruzie tijdelijk verplaatst naar een klein bakje. Voor straf, soort van isoleercel. Meestal Jimmy trouwens.

Voor het slapen gaan een vast ritueel. Tikken tegen de bak. Geritsel, twee kleine koppies tevoorschijn. Voorzichtig kriebelen in de nekjes. Echt kroelen kon niet. Tam waren ze inderdaad, maar Google was vergeten te verklappen dat Russische dwerghamsters heel scherpe tandjes hebben waarmee ze ongenadig hard in vingers bijten. Toen, op een avond. Alleen het snuitje van Jimmy. Paniek, waar is Mike? Schudden met de kooi hielp niet. Wroeten in het zaagsel, geen Mike. Ik opperde dat hij wellicht zijn winterslaap aan het houden was. Dat gaf rust, we zouden de volgende dag verder zoeken.

De jongens naar school. Behoedzaam kieperde ik de bak leeg. Daar was Mike. Ineengekropen, koud, hard, de kraaloogjes gesloten. Dood. Het nieuws sloeg in als een bom, hartverscheurende taferelen op het schoolplein. Hij wilde Mike begraven achterin de tuin van opa en oma. Zorgvuldig zocht hij tussen de beplanting naar een geschikt plaatsje. We groeven een kuiltje. Mijn zoontje legde Mike voorzichtig neer. Naast hem een muntje van twintig cent, zodat hij eten kon kopen in de hamsterhemel. Mijn vader en ik keken hulpeloos naar dat kleine ventje met een grote spa die zijn vriendje aan het begraven was. Hard huilend, zonder geluid. Dikke tranen vielen te pletter op de omgewoelde aarde.

Ik rommelde in de keuken. Mijn telefoon piepte. De trainer van mijn zoontje. Een late afmelding bij een hoger team. Of hij mee wilde doen, de wedstrijd stond op het punt van beginnen. Ik liep naar boven. Hij zat op z’n bedje. Verslagen, rode oogjes. Jimmy op schoot. Voor hem een dozijn witte kiezels uit de voortuin, een beertje en twee stokjes. Om een kruisje van te maken. Morgen het grafje aankleden. Ik vertelde over het telefoontje. Hij sprong op, griste zijn tenue uit de kast en rende naar beneden. Tas over het stuur van zijn fiets, onderweg naar de club. Je komt toch wel kijken, riep hij nog. Een lach van oor tot oor.

Voetbal verlicht alle pijnen. Zelfs het verdriet van de dood.

HET VERDRIET VAN DE DOOD