FEYENOORD KAMPIOEN

Mijn opa en oma waren voor Ajax. Daarom hun zoons ook. Een aantal van hen geboren en getogen in Betondorp. Dus Ajax zit ook in mijn hart. Da’s logisch, van generatie op generatie. Ik woon in het puntje van West-Brabant, vlakbij de brug richting Rotterdam. Dat verklaart de vele Feyenoord-fans in onze regio.

Woensdagmiddag, drie bordjes met broodjes hagelslag. Mijn kinderen waren destijds vijf en zeven, ofzo. Een van de beste vriendjes van mijn jongste telg op visite. Het ventje had een seizoenkaart van Feyenoord, samen met z’n vader. Om de week lieten zij zich pijnigen in De Kuip.

‘Pap, mogen we onze broodjes boven opeten?’
De vloer van slaapkamers en overloop bestrooid met chocolade korreltjes, dat wilde ik niet.
In een onbewaakt ogenblik trippelden mijn zoontjes toch de trap op. Inclusief hun broodjes met hagelslag.
Grote ogen bij het vriendje vanwege de ongehoorzaamheid. ‘Oho.’
‘Jij mag ook naar boven, hoor.’
Kereltje liep naar de deur.
‘Maar dan moet je wel eerst zeggen dat Ajax de beste club van Nederland is.’
Een gebbetje.
Hij had de klink al vast.

Zonder iets te zeggen draaide het vriendje zich om en wandelde naar het midden van de woonkamer. Hij schoof het kleine stoeltje onder het tafeltje vandaan en ging zitten, met z’n ruggetje naar mij toe. Geduldig verorberde hij het broodje, stond op en zette het stoeltje terug op z’n plaats. In de deuropening keek hij me doordringend aan, geen emotie van z’n gezichtje te lezen. Met de rug van z’n handje veegde hij z’n mondje af. En rende naar de eerste etage.

Nu, na al die jaren bol van teleurstellingen, vernederingen soms, eindelijk de hoofdprijs voor Feyenoord. Kan niet meer misgaan.

Aan het vriendje: gefeliciteerd met het welverdiende kampioenschap, maatje. Maak er een onvergetelijk feest van. Het is je gegund.

Advertenties
FEYENOORD KAMPIOEN

SATÉSAUSWINDJE

Het is bijna augustus. En ik ben een man. Dus mijn systeem hunkert naar het nieuwe seizoen. Ik snak ernaar dat zaterdag weer het hoogtepunt van de week is. De gehele dag op en rond het voetbalveld. Eerst in de ochtend naar de wedstrijdjes van mijn kleine nozems kijken en ’s middags zelf de wei in met de maatjes van Seolto 4.

Ik moet nog een paar weken wachten. Het gras dat in juni is gezaaid, is namelijk nog niet volgroeid. Tot die tijd blijven de kicksen in het vet, smacht ik naar de eerste training en koester ik herinneringen. Zoals die ene wedstrijd, zo’n anderhalf jaar geleden. Ons elftal was de Peter Sagan van de regio. Vijf jaar op rij behaalden we een tweede plaats. We oogsten lof over ons spel, scoorden de mooiste goals, dronken alle tegenstanders onder tafel. Maar kampioen worden, lukte niet.

En toen.

De voorlaatste speelronde van het seizoen, inhaalprogramma. Wij de fiere koplopers. Eindelijk. Echter slechts twee luttele verliespuntjes minder dan nummer 2 en 3 van de rangschikking. Onze achtervolgers speelden die dag tegen elkaar, wij hadden vrijaf. Bij een gelijkspel zouden we kampioen worden zonder zelf te spelen. Dat was helemaal niet wat we wilden. Het is niet leuk om door de supermarkt te sjokken en een berichtje te ontvangen dat de buit binnen is. Knokken voor iedere centimeter, winnen, het doel bereiken, elkaar in de armen vliegen. Op het veld. Zó wilden we het voetbaljaar eindigen. De bezwete mannenkroel is zo verschrikkelijk veel mooier dan een digitale high five.

Een behoorlijke afvaardiging van ons elftal besloot om de wedstrijd van de concurrenten te bekijken. Het werd 1-0, daarna snel de gelijkmaker. Ontspanning en plezier bij de spelers, nervositeit en veel bier langs de lijn. Het bleef 1-1. Erg lang, heel erg lang. Tot de allerlaatste minuut. De winnende treffer voor de thuisploeg. Een explosie van vreugde bij de supporters, pitch invasion zelfs. Doldwaze kerels. In het dagelijkse leven verantwoordelijke managers, grappige schooldirecteuren, getalenteerde ondernemers of liefdevolle vaders, maar op dat moment allemaal dezelfde eenvoudige voetbaldieren. Uitzinnig en beschonken.

Direct na het laatste fluitsignaal ging de matchwinnaar op de schouders. ‘Robbie is van ons, olé, olé’, zongen we uit volle borst. Robbie zwaaide met twee armen. Een hilarisch tafereel. Enerzijds omdat hij helemaal niet Robbie heette (‘ik vond hem eruitzien als een Robbie dus ik begon te zingen’) en anderzijds komt het niet zo vaak voor dat een team een speler bejubelt die er net voor heeft gezorgd dat ze juist géén kampioen zijn geworden. Het gaf aan hoe graag we het zelf af wilden maken, op eigen kracht in een thuiswedstrijd.

De week erop behaalden we inderdaad een klinkende overwinning. Het kampioenschap was zoals we het ons hadden voorgesteld. Een onbeschofte hoeveelheid bier, op de platte kar door het dorp, de zelfgemaakte schaal, oneerbare voorstellen, rondvliegende bitterballen en dansen op de bar. We waren zielsgelukkig.

Het feest was legendarisch. Net zoals het satésauswindje, ergens halverwege die avond.

SATÉSAUSWINDJE