IBRAHIMOVIC

De eerste keer dat ik je zag. In het zonnetje, dichtbij het veld. Ter hoogte van de middenlijn. Links naast me mijn vader en rechts een oom. Neefje stuiterend aan de reling, zijn debuut op de tribune bij Ajax.

Je was een grote onbekende. Uit Zweden, had nog nooit van je gehoord. Lang, slungelig, beetje onverschillig. Niet echt de uitstraling van een stervoetballer. Toen, opeens. Die akka. Bijna op de achterlijn. De verdediger van Liverpool compleet het bos in. Je stal mijn hart. Op dat moment.

De waanzinnigste doelpunten, het hoogtepunt tegen NAC. Zaalvoetbal in de ArenA. Dat je zó goed zou worden, had ik niet kunnen bevroeden. Maar jij was overtuigd. Dus je slaagde.

Het logische vertrek. Ajax, Juventus, Inter, Barcelona, AC Milan, PSG en nu Manchester United. Al die kampioenschappen in het buitenland. Groter dan in een jongensdroom.

Donderdagavond stond ik schreeuwend in de kroeg. Halve finale. Ik hoopte op een weerzien, al zou dat de minst gunstige loting zijn. Nog één keer jou bejubelen in eigen stadion. Een staande ovatie, want je bent nog steeds van ons. Tranen van trots, ik weet niet of je dat begrijpt.

Zojuist stormde mijn zoontje binnen. Ook hij is inmiddels idolaat. De blessure is ernstig, gilde hij. Kruisbanden, vijfendertig, doodse stilte in de woonkamer.

Word snel beter, held. Want zo mag het niet eindigen.

Advertenties
IBRAHIMOVIC

ZONDAG

Ooit was ik een klein jongetje. Met een Ajax-shirt en Ajax-trainingspak. Thuis een Ajax-dekbed, Ajax-vlag, Ajax-etui, Ajax-poster, Ajax-muts, Ajax-tas. Alles Ajax, Ajax, Ajax. Uiteraard wilde ik later bij Ajax voetballen. Op het schoolplein was ik Jesper Olsen. Dan passeerde ik mijn klasgenootjes en gaf een voorzet op mijn vriendje. Hij scoorde, want hij was Marco van Basten.

Ik heb het niet gered. Te weinig talent, niet genoeg doorzettingsvermogen, McDonald’s als lievelingseten. En voor de zekerheid zat ik iedere vrijdag en zaterdag tot diep in de nacht en het glaasje in het café.

Jaren later. Ik was inmiddels een volwassen man toen ik samen met een maatje door de gracht van de ArenA wandelde. We hadden een zakelijke afspraak. Gedwee liepen we achter de hostess aan. Opeens De Trap, naar het veld. Ik kon het niet laten. Effe kijken. Halverwege de trap doemden de tribunes op, leeg weliswaar. Maar toch. Een paar treden later stond ik op het heilige gras. Was ik voor even weer dat kleine kereltje. Ik fantaseerde een volgepakt stadion. Joelend. Ik keek rond. Handen in mijn zakken. Bewonderend, geïmponeerd. Kippenvel.

Nu. Nu ben ik een verantwoordelijke vader. Prima inkomen, twee auto’s voor de deur. Meerdere keren per jaar op vakantie. Een berg hippe Nikes in de schoenenmand, dure Diesel-jas aan de kapstok. We hebben alles wat ons hartje begeert. Toch zou ik alle materiële zaken in willen leveren en daardoor opnieuw moeten beginnen. In ruil voor één keer voetballen in Ajax 1. Spelen voor al die fans, camera’s langs de zijlijn. Het shirt met de rode baan, rugnummer 11. Mijn naam gescandeerd vanaf de tribunes. Natuurlijk álles geven voor de club en de supporters. Vijf minuutjes maar, is al genoeg. Ik zou het er voor over hebben.

Ik vraag me af. Zondag, tegen aartsrivaal Feyenoord. Zouden onze jongens beseffen dat de ArenA dan vol zit met ventjes en mannen zoals ik? Thuis en in de kroeg nog eens honderdduizenden. Met dezelfde droom.

Zouden ze begrijpen dat ze bevoorrecht zijn?

ZONDAG

HEIMWEE NAAR DE MEER

Het is alweer bijna twintig jaar geleden dat De Meer werd afgebroken. Het stadion waar illustere namen hun kunsten vertoonden. Swart, Keizer, Van Basten, Bergkamp. En natuurlijk Cruijff. Het publiek wist dat het zou gaan genieten van een galavoorstelling met drie goals. Minimaal. Tegenstanders legden zich er op voorhand bij neer dat ze die middag slechts zouden figureren. Ajax was machtig.

Toen de ArenA. Groter, luxer, moderner en indrukwekkender dan De Meer. Maar minder knus, veel minder sfeervol. Toeval of niet, ook het voetbal ging achteruit. Godenzoden bleken plots overwinnelijk, het veld niet meer dan losliggende plaggen. Het theater gedegradeerd tot bioscoop en helden werden pannenkoeken. Vooral dat laatste erg pijnlijk. Vroeger kwamen de Europese grootmachten met knikkende knieën naar Amsterdam. Tegenwoordig meent zelfs FK Jablonec een kans te maken. Brutaal, met branie en bluf. Eens óns handelsmerk.

Ooit kochten we de rechtsback van Sparta. Een eenvoudige voetballer. Dat wist-ie zelf ook. Toch groeide hij snel uit tot de absolute leider van de defensie. Paar jaar later tilde hij de Champions League en de wereldbeker boven z’n hoofd, als aanvoerder. Nu contracteren we een middenvelder van AZ. En de broer, vader en moeder. Om z’n nageltjes te knippen. Wilde een ander rugnummer, liet zich in z’n blote bast fotograferen in een magazine. Vertelde dat hij een echte topsportmentaliteit bezit. Goed voetballen kan niet altijd, vorm is een onverklaarbaar iets. Maar de wil om te winnen, moet je altijd tonen. Over jouw lijk, voorop in de strijd. Zeker wanneer je pretendeert dat je uit dat winnaarshout bent gesneden. Blind deed, Gudelj praat.

Misschien wordt ’t tijd dat de spelers weer gewoon nat worden als het regent. Het jongenslaagje afspoelen, zodat er kerels tevoorschijn komen. Overmars, Jonk, Van der Sar, Bergkamp, Trustfull, De Boer, Bogarde, Stam, Ling, Cruijff. Een wedstrijdje directie en staf tegen de spelersgroep. De oudjes winnen. Ik denk het echt. Moeten ze wel Hennie Spijkerman reserve zetten.

Ik heb heimwee naar De Meer. Gezelligheid, goed voetbal, legendarische goals, geweldige spelers, hiërarchie in het elftal, Europa Cups. Ik weet ook wel dat het voorbij is en nooit meer terug zal komen. We hebben nu eenmaal minder centen dan de clubs in Spanje, Engeland, Duitsland en Italië. Maar laat me lekker dromen. Want dromen over De Meer is fijn.

Op ’n slof en ’n ouwe voetbalschoen
Wordt Ajax kampioen
Wordt Ajax kampioen

HEIMWEE NAAR DE MEER

VERLOREN

Nederland – IJsland. We wandelden rond de ArenA. Onderweg naar ingang Noord B. Het was druk bij de kraampjes. Sjaaltjes voor maar vijftien euro. De zaken gingen goed, bijna uitverkocht.

Veel mensen in het trappenhuis van het schitterende stadion. Ooit gebouwd voor zo’n honderd miljoen. Slechts af toe treedt er een bandje op of draait een dj z’n nieuwste plaatje en om de week wordt er anderhalf uur gevoetbald. De eerste jaren werd er na iedere zevende sliding een nieuw veld binnengerold. Ook kan het dak dicht. Dan worden de spelers niet nat. Luxe.

Vaders met kinderen zochten hun weg naar het juiste vak. Gehuld in een Nike-tenue met achterop de naam en het rugnummer van hun favoriete speler. We hadden goede plaatsen, achter het doel. Voor ons alleen maar de mensen in een rolstoel. Want die kunnen niet zo goed lopen. Dus zielig en verdienen een speciaal voor hen gereserveerde ruimte. Rechtstreeks aan het veld.

De stadionspeaker vroeg ons onder de klapstoeltjes te kijken. Daar lag namelijk een verrassing. Een grote poster van het Nederlands elftal. De achterkant rood, wit, blauw of oranje. Voor de kenners: dubbelzijdig f.c., 200 grams mc, gelamineerd en zorgvuldig gerild, zodat we er een waaier van konden maken. Oplage dik 50.000 stuks. We moesten de poster tijdens het Wilhelmus achterstevoren boven onze hoofden houden, zodat er een groot oranje geheel ontstond en op de zijde naast ons de Nederlandse vlag. Liefst na het volkslied nog tien seconden volhouden, kon men het op de buis ook zien. Dat deden we. Daarna vlogen er onophoudelijk vliegtuigjes door het stadion. Gevouwen van het sjieke drukwerk.

De eerste helft was niet best. Het gezang uit het uitvak overstemde de aanmoedigingen van het thuispubliek. IJsland was gisteren tien centimeter omhoog gekomen. Zo veel eilandbewoners hadden een vlucht geboekt naar Amsterdam. Duur tripje, maar dat hinderde niet. Meemaken wilden ze.

In de rust kocht ik drankjes. In de rij. De vrouw voor me verbaasde zich over de hoge prijs van een paar slokken cola in een plastic bekertje. Achter mij zuchtte iemand dat ’t lang duurde voordat-ie aan de beurt was. Een kind jengelde dat hij twee zakjes chips wilde en een man met geschminkt gezicht draaide zich stampvoetend om. Alleen alcoholvrij bier te koop.

Ook tijdens het tweede bedrijf viel er weinig te genieten. Met een mannetje minder kon Oranje het niet bolwerken. Cillessen greep wederom mis bij een strafschop en Thór Halldórsson ranselde alle ballen uit z’n doel. Als een echte Viking.

Het eindsignaal.

De IJslandse voetballers en supporters vierden uitzinnig feest. Want ze hadden een spelletje gewonnen. De mooiste dag van hun leven. Spelers van Nederland lagen op de grond. Verslagen, berustend. Verloren.

Net zoals Aylan. Maar daar had niemand het meer over.

VERLOREN

DE BRIEF VAN ED

Paar jaar geleden. Ik hing op de bank en keek naar de televisie. De uitreiking van de Gouden Televisier-Ring.

Fatima Moreira de Melo stond op het podium. Zwoele ogen, lange blonde haren, sexy jurk. Lekker. Fatima zong een liedje. Nou ja, zong. Zo vals als een kraai.

Gelukkig was ’t maar een kort liedje.

De camera draaide naar presentatrice Chantal Janzen. Zij fikte de ex-hockeyster tot op haar muiltjes af. ‘Wat kan die meid hockeyen, hè.’

Afgelopen week ontvingen de trouwe Ajaxsupporters een brief. Dat het hartstikke leuk, wervelend, spannend, goed en gezellig is in De Arena. Als tegenprestatie wordt een deel van de seizoenkaarten enkele honderden euro’s duurder. Tot volgend jaar. Groetjes, Ed.

Wat kon die gozer keepen, hè.

DE BRIEF VAN ED

DE EERSTE KEER

Gisterenavond ploeterde het Nederlands elftal tegen Turkije. De late lelijke goal van Sneijder bespaarde ons in ieder geval urenlang nachtelijk getoeter.

Van de trotste nummer 3 van de wereld naar de gelukkige nummer 3 in een groep met semi-profs. In slechts een paar maanden. Goh.

Bijna vijf jaar geleden bezocht ik met m’n zoontje een wedstrijd van het Nederlands elftal. De uitzwaaiwedstrijd van het WK 2010, tegen Hongarije. Voor hem de eerste keer. Hij kende de spelregels nog niet. Alleen de keeper mag de bal met z’n handen pakken, voor tackelen krijg je een gele kaart en als er een doelpunt wordt gescoord, ga je juichen. Maakt niet uit in welk doel de bal verdwijnt. Tot zover destijds de kennis van zoonlief van het spelletje.

Oh ja, en Ajax is de beste. Als telg van een Ajaxfamilie was hem dat met de paplepel ingegoten. Zelfs vernoemd naar Jesper Olsen, de ongrijpbare linksbenige dribbelaar uit de jaren ’80. Papa’s favoriete voetballer aller tijden. Oranje speelde die middag in De Arena. Het huis van Ajax, dus extra leuk dat kleine Jesper juist in ons stadion z’n eerste wedstrijd zou beleven.

Mijn zoontje praatte nogal veel. Eigenlijk de gehele dag door. Veel vrouwelijke hormonen. Het was een enerverend uurtje in de auto. Na 143 keer ‘Is het nog ver, pap?’ en talloze andere vragen over voetbal, Ajax, Oranje, pannenkoeken, de jurk van oma en zwemles parkeerden we bij de McDonald’s in de buurt van De Arena.

Een half uurtje later mengden we ons met volle buiken in de oranje stoet die richting stadion trok. Daarna door de toegangscontrole, trap op, nog een trap op, naar vak 419.

Iedere jonge vader kijkt vanaf de geboorte van z’n zoon uit naar het moment dat hij voor de eerste keer met hem naar het stadion gaat. Zo ook ik. Dat kleine zenuwachtige knuistje in jouw hand. Samen de treden beklimmen totdat je het veld ziet waarop de helden hun kunsten vertonen. Het was inderdaad zoals in de reclame, onbetaalbaar. Onvergetelijk ook. Jespertje keek z’n ogen uit en genoot. Dus ik genoot met hem mee.

We zaten goed en wel op onze stoeltjes of de spelers betraden het veld. Alle supporters applaudisseerden, schreeuwden en joelden. Op één klein supportertje na. Want die had z’n vingertjes in z’n oortjes.

Mijn vriendje ging vrolijk door met praten tijdens de warming up.
‘Denk jij ook dat Sulejmani vandaag een doelpunt gaat maken?’

‘Wanneer gaat ’t dak dicht?’
‘Waarom gaat ’t dak niet dicht?’
‘Het is in Australië toch nog warmer dan hier?’
‘En in Engeland?’
‘En in Finland?’
‘En in Legoland?’
‘Waarom is dat geen land?’

‘Hoe lang duurt ’t nog voordat ze gaan beginnen?’
‘Hoeveel tellen is een kwartiertje?’
Korte praatpauze.
‘Wat komt er ook al weer na 17?’

‘Waarom staan er iedere keer andere lettertjes op de hekken?’
‘Wat is reclame?’

Tegen de man naast hem, getooid met een enorme wilde oranje pruik: ‘Is dat een pruik?’

Tussendoor lurkte hij aan z’n rietje. In z’n nopjes.

De wedstrijd begon. Na een paar minuten zette Dzsudzsák zijn ploeg met een magnifieke treffer op voorsprong. Het plukje Hongaarse fans juichte. Net als Jespertje.

Daarna begon Oranje te wervelen en verslonden de Hollandse leeuwen hun weerloze prooien.

Tijdens de rust werd er afscheid genomen van Van der Sar. De beste keeper uit onze geschiedenis hield een emotionele toespraak vanwege de gezondheid van z’n vrouw. Laag overscherende straaljagers gaven extra cachet aan het eerbetoon.

Direct na de hervatting een opvallende stilte naast me. Geen gepraat, geen vragen. Jespertje keek, met z’n hoofdje rustend op z’n handjes, intrigerend naar het veld. Z’n oogjes schoten van links naar rechts. En weer terug. Z’n hersentjes maalden en zochten koortsachtig naar een verklaring voor iets vreemds dat hij klaarblijkelijk had waargenomen.

Na drie minuten de opluchting.
‘Pap, pap, ze hebben van keeper geruild.’

DE EERSTE KEER