DE ALLERBESTE LINKSBUITEN OOIT

Het was tijdens de viering van de zestigste verjaardag van de eredivisie. Enige maanden geleden, op Het Kasteel. De groten van vroeger hadden zich verzameld om herinneringen op te halen. De mooiste doelpunten van de afgelopen decennia op schermen aan de wand, weerzien van oude bekenden, anekdotes onder het genot van een borrel en bitterbal.

Ik stond met mijn handen in mijn zakken. Achteraan, zodat ik de ruimte kon overzien. In een straal van anderhalve meter rondom mij Van der Sar, Jonk en Reiziger. Spelers die mij als Ajaxsupporter hadden doen juichen, laten genieten. Toen we nog heerser waren in Europa. Opeens zag ik dat Piet Keizer naast me zat. Op ’n tafeltje. Piet Keizer, een rilling door mijn lijf.

Al jarenlang ben ik iedere zaterdagmiddag een linksbuiten. Op mijn eigen lage niveautje. Linksbuitens zijn een beetje anders. Dwars, moeilijk, eigenwijs. En grillig: soms dramatisch, maar af en toe ook geniaal. Alles of niks. Negenentachtig minuten vervloekt worden door medespelers en dan met een geweldige actie de wedstrijd beslissen.

Daar zat-ie. De allerbeste nummer 11 die er ooit op de velden heeft rondgelopen. En ik stond naast hem. Het was er eigenlijk niet de gelegenheid naar om hem aan te spreken. Ik moest professioneel zijn. Maar ik ben ook gewoon een klein jongetje met helden. Ik twijfelde. Zal ik. Durf ik. Mag het.

Ik deed.

‘Meneer Keizer, zou ik me u op de foto mogen?’
Hij keek me een halve seconde aan.
‘Nee.’
Draaide zijn hoofd weer weg.
Zo resoluut was ik nog nooit afgewezen. Ik was van mijn stuk. Behoorlijk zelfs.
Meneer Keizer zag dat ik schrok. In onvervalst Amsterdams: ‘Sorry, jongen. Als ik met jou op de foto ga, moet ik met iedereen. Daar heb ik geen zin in.’
‘Maar meneer Keizer, ik ben ook een linksbuiten.’
Ik gaf niet op.
‘Snel dan.’
Het werd door de zenuwen niet de beste selfie die ik ooit heb gemaakt. Maar ik koester het beeld van dat jongetje met de held.

Vanochtend werd ik wakker met het nieuws dat hij is overleden. De backs boven hebben een probleem.

Advertenties
DE ALLERBESTE LINKSBUITEN OOIT

JOHAN IN DE HEMEL

Johan
Nu ben je dood

Ajax de allerbeste
Met jou op het veld

Je nam een klein landje bij de hand
Dapper en trots ten strijde

In Barcelona
Belangrijker dan Gaudí

Messi, Maradona, Pelé, Best
Slechts in jouw fenomenale schaduw

Ook als mens
Onvoorstelbaar geniaal

Heel de wereld aan je voeten
Maar niet die ene vader aan je zij

Mocht er een hemel zijn
Kruip dan dicht tegen hem aan

En vertel wat je ons hebt gegeven
Alles, want het is allemaal waar

Het werk hier is gedaan
Grote Johan mag weer kleine Jopie zijn

JOHAN IN DE HEMEL

ZONDAG

Ooit was ik een klein jongetje. Met een Ajax-shirt en Ajax-trainingspak. Thuis een Ajax-dekbed, Ajax-vlag, Ajax-etui, Ajax-poster, Ajax-muts, Ajax-tas. Alles Ajax, Ajax, Ajax. Uiteraard wilde ik later bij Ajax voetballen. Op het schoolplein was ik Jesper Olsen. Dan passeerde ik mijn klasgenootjes en gaf een voorzet op mijn vriendje. Hij scoorde, want hij was Marco van Basten.

Ik heb het niet gered. Te weinig talent, niet genoeg doorzettingsvermogen, McDonald’s als lievelingseten. En voor de zekerheid zat ik iedere vrijdag en zaterdag tot diep in de nacht en het glaasje in het café.

Jaren later. Ik was inmiddels een volwassen man toen ik samen met een maatje door de gracht van de ArenA wandelde. We hadden een zakelijke afspraak. Gedwee liepen we achter de hostess aan. Opeens De Trap, naar het veld. Ik kon het niet laten. Effe kijken. Halverwege de trap doemden de tribunes op, leeg weliswaar. Maar toch. Een paar treden later stond ik op het heilige gras. Was ik voor even weer dat kleine kereltje. Ik fantaseerde een volgepakt stadion. Joelend. Ik keek rond. Handen in mijn zakken. Bewonderend, geïmponeerd. Kippenvel.

Nu. Nu ben ik een verantwoordelijke vader. Prima inkomen, twee auto’s voor de deur. Meerdere keren per jaar op vakantie. Een berg hippe Nikes in de schoenenmand, dure Diesel-jas aan de kapstok. We hebben alles wat ons hartje begeert. Toch zou ik alle materiële zaken in willen leveren en daardoor opnieuw moeten beginnen. In ruil voor één keer voetballen in Ajax 1. Spelen voor al die fans, camera’s langs de zijlijn. Het shirt met de rode baan, rugnummer 11. Mijn naam gescandeerd vanaf de tribunes. Natuurlijk álles geven voor de club en de supporters. Vijf minuutjes maar, is al genoeg. Ik zou het er voor over hebben.

Ik vraag me af. Zondag, tegen aartsrivaal Feyenoord. Zouden onze jongens beseffen dat de ArenA dan vol zit met ventjes en mannen zoals ik? Thuis en in de kroeg nog eens honderdduizenden. Met dezelfde droom.

Zouden ze begrijpen dat ze bevoorrecht zijn?

ZONDAG

ODE AAN DE VLO

Iedere zondagavond sprong ik direct na het eten onder de douche. Dan mocht ik daarna nog even Ajax kijken voordat ik naar bed moest. Rijkaard, Lerby, Cruijff, Vanenburg, Ling, Van Basten. Dat was destijds de standaard in Amsterdam. Ondanks deze befaamde namen waren het niet de succesvolste jaren uit de Ajax-geschiedenis. Wel kampioenschappen, geen internationale dominantie.

Ik wist toen al dat ik een linksbuiten was. Linksbuitens vinden scoren niet belangrijk. De slalom langs kansloze verdedigers vervolmaakt met een afgemeten voorzet is zo veel leuker. Gejuich van de supporters na een doelpunt hoor je. Maar het ge-ooooh vanaf de tribunes na een wervelende actie vóél je. Linksbuitens zijn een beetje anders.

Daarom was ik idolaat van Jesper Olsen. Shirtje nonchalant uit de broek, net een jurkje. Rebels, want in die tijd een doodzonde. Overal op het veld te vinden. Aannemen, wegdraaien en dan een lange pak-me-dan-asje-kan-dribbel. Tackles ontwijkend, soms maar half. Bijna struikelend toch door proberen te rennen. Extreem lichtvoetig, vandaar De Vlo als koosnaam.

Een tegenstander voorbij, de tweede, de volgende, vier, vijf. Totdat een beul het vonnis velde. Liggen, plat. Niet morren of ruziën. Snel de vrije trap nemen, bal opeisen, een nieuwe rush. Weer proberen, straks gaat het lukken. De fans vermaken, als een klein jongetje dartelen over het veld.

Bij een doelpunt een allermooist tafereel. Geslagen verdedigers. Zittend op de grond, armen over de knieën. Staand met de handen in de zij, afgezakte schouders. Allen het hoofd gebogen. Geen onderlinge verwijten, maar slechts berusting in de suprematie van Hem.

Ik ging samenwonen. De poster boven mijn bed mocht niet mee. Ongezonde adoratie voor een volwassen man. Vond ze. Jaren later werd onze eerste zoon geboren. Ze was de poster allang vergeten. Jesper zijn naam.

ODE AAN DE VLO

VAN DER VAART

Ik was zeven. En smoorverliefd. Op hetzelfde meisje waar ik zo’n twee jaar eerder een tijdje verkering mee had gehad. Mijn eerste vriendinnetje. Het was een leuke tijd. Samen kleuren en drinken uit één beker met Yoki Drink. We waren blij met elkaar en genoten van elke minuut die we saampjes doorbrachten. Toch kwam er een einde aan de roze wolk. Elkaar ontgroeid, vonden we beiden.

We gingen ieder onze eigen weg, scharrelden met anderen. Het contact verwaterde, maar we verloren elkaar niet uit het oog. Zelfde school, andere juf. Maar, de eerste schooldag na de vakantie. Opeens zat ze weer naast me. Zoals vroeger. Het voelde fijn, als vanouds. Ik wilde haar terug. We pasten bij elkaar, meende ik. Eigenlijk hoorden we bij elkaar. Ik wilde haar weer aan mijn zijde. In ieder geval tot het einde van de basisschool. Daarna zouden we wel zien. Ik zag het helemaal zitten.

Ik moest mijn passie voor haar tonen. Daarom jatte ik een Barbie van mijn zusje. Zij kon er best wel eentje missen. Ik knipte de haren van de pop precies zoals zij haar kapsel droeg. Met een boblijn. Sprekend, concludeerde ik tevreden. De volgende ochtend in het fietsenhok. Ik pakte de Barbie uit mijn rugzak. Plechtig overhandigde ik haar het symbool van mijn vuur voor haar.
‘Wil je verkering met mij?’
Tot mijn verdriet wilde ze er over nadenken. Misschien is het nog niet het juiste moment, zei ze.

De weken daarop droeg ik haar tas, plukte Madeliefjes en gaf haar mijn laatste Rolo. Alles om duidelijk te maken dat ze voor mij de ware was. Ze draaide er omheen. Accepteerde mijn liefdesbod niet, maar wees me ook niet af. Ik hield hoop. En toen kwam die verschrikkelijke vrijdagmiddag. Vlak voor het weekend. Ze vertelde me dat ze voor een ander had gekozen. Een grijze muis, maar wel een klas hoger. Mijn hart brak. Ik kende hem en wist dat zijn zandbak veel groter was dan de mijne. Ik vermoedde dat ze haar keuze af had laten hangen van die zandbak. Mijn liefde voor haar was dus van ondergeschikt belang. Ze ontkende ten stelligste. Misschien straks, later, in de toekomst zou het nog goedkomen tussen ons. Ze beloofde me niet te vergeten.

Een maand later fietste ik langs het huis van de concurrent met zijn grote zandbak. Ik zag haar zitten op het randje. Haar mannetje schepte naar hartenlust in het zand en goot water in de kuiltjes. Ze mocht echter niet meedoen. Haar groen-witte jurkje leek flets. Net als haar oogjes. Ze was ongelukkig, ik zag het. Ik remde. Eén voet op de grond. Ik keek naar het bedroefde meisje. Mijn meisje. Moest ik haar redden? Achterop de fiets en meenemen naar huis?

Ik twijfelde.

Een diepe zucht. Ik fietste weg. Zo hard mogelijk. Want ik wilde geen tweede keus zijn.

Dikke tranen biggelden over mijn wangetjes.

VAN DER VAART

MINUUT 14

Feyenoord, Ajax. Havenarbeiders en handelaren. De mouwen omhoog of een strategie bepalen. Die verschillende culturen duidelijk zichtbaar op het veld. Werklust in De Kuip en positiespel in De ArenA. Ander publiek op de tribunes. Een kolkende massa versus de kritische aanhang.

Feyenoord, Ajax. Zij en wij. Zij wonnen de eerste Europacup. Wij veroverden er meer. Wat is belangrijker, de eeuwige strijd.

Feyenoord, Ajax. Calimero-gedrag en arrogantie. Rotterdam maakt zich druk. De ander wordt bevoordeeld. Altijd. Amsterdam borduurde een ‘1’ op hun stropdassen. Miemelen over de rivaal, te overtuigd van eigen kunnen.

Feyenoord, Ajax. Rotterdam en Amsterdam. Zo veel verschillen. En daarom haat en nijd. Rellen geen uitzondering, ooit zelfs een dode.

Tevens overeenkomsten. Maar vaak onderbelicht. De grootste stadions van Nederland, een bijzonder shirt, de naam van de club met zorg gekozen. Een rijke historie en internationale faam. Samen de grondleggers van het totaalvoetbal. De wereld stond versteld.

Niet voor niets bestaat er maar één Klassieker.

Zondagmiddag minuut 14 in De Kuip. Een staande ovatie. Gemeend Rotterdams respect voor de zieke Amsterdamse held.

Feyenoord, Ajax. Kippenvel op alle armen. Omgang tussen twee gelijken. Broederlijk aan de top.

MINUUT 14

HEIMWEE NAAR DE MEER

Het is alweer bijna twintig jaar geleden dat De Meer werd afgebroken. Het stadion waar illustere namen hun kunsten vertoonden. Swart, Keizer, Van Basten, Bergkamp. En natuurlijk Cruijff. Het publiek wist dat het zou gaan genieten van een galavoorstelling met drie goals. Minimaal. Tegenstanders legden zich er op voorhand bij neer dat ze die middag slechts zouden figureren. Ajax was machtig.

Toen de ArenA. Groter, luxer, moderner en indrukwekkender dan De Meer. Maar minder knus, veel minder sfeervol. Toeval of niet, ook het voetbal ging achteruit. Godenzoden bleken plots overwinnelijk, het veld niet meer dan losliggende plaggen. Het theater gedegradeerd tot bioscoop en helden werden pannenkoeken. Vooral dat laatste erg pijnlijk. Vroeger kwamen de Europese grootmachten met knikkende knieën naar Amsterdam. Tegenwoordig meent zelfs FK Jablonec een kans te maken. Brutaal, met branie en bluf. Eens óns handelsmerk.

Ooit kochten we de rechtsback van Sparta. Een eenvoudige voetballer. Dat wist-ie zelf ook. Toch groeide hij snel uit tot de absolute leider van de defensie. Paar jaar later tilde hij de Champions League en de wereldbeker boven z’n hoofd, als aanvoerder. Nu contracteren we een middenvelder van AZ. En de broer, vader en moeder. Om z’n nageltjes te knippen. Wilde een ander rugnummer, liet zich in z’n blote bast fotograferen in een magazine. Vertelde dat hij een echte topsportmentaliteit bezit. Goed voetballen kan niet altijd, vorm is een onverklaarbaar iets. Maar de wil om te winnen, moet je altijd tonen. Over jouw lijk, voorop in de strijd. Zeker wanneer je pretendeert dat je uit dat winnaarshout bent gesneden. Blind deed, Gudelj praat.

Misschien wordt ’t tijd dat de spelers weer gewoon nat worden als het regent. Het jongenslaagje afspoelen, zodat er kerels tevoorschijn komen. Overmars, Jonk, Van der Sar, Bergkamp, Trustfull, De Boer, Bogarde, Stam, Ling, Cruijff. Een wedstrijdje directie en staf tegen de spelersgroep. De oudjes winnen. Ik denk het echt. Moeten ze wel Hennie Spijkerman reserve zetten.

Ik heb heimwee naar De Meer. Gezelligheid, goed voetbal, legendarische goals, geweldige spelers, hiërarchie in het elftal, Europa Cups. Ik weet ook wel dat het voorbij is en nooit meer terug zal komen. We hebben nu eenmaal minder centen dan de clubs in Spanje, Engeland, Duitsland en Italië. Maar laat me lekker dromen. Want dromen over De Meer is fijn.

Op ’n slof en ’n ouwe voetbalschoen
Wordt Ajax kampioen
Wordt Ajax kampioen

HEIMWEE NAAR DE MEER