RESPECT MOOIER DAN RIVALITEIT

Afgelopen dinsdag reisde ik naar Rotterdam-Zuid. Om naar mijn jongste zoontje te kijken. Hij mocht twee dagen meedraaien in de Soccer School van Feyenoord, cadeautje van z’n moeder. Ervaren hoe het is om een jeugdspelertje van die club te zijn, de club waar hij idolaat van is. Mijn maatje is het liefst altijd aan het voetballen. In de tuin, het pleintje, zaterdagmiddag op de voetbalclub. Altijd en overal. Laatst vond ik hem midden in de nacht overdwars in zijn bedje. In de foetushouding, de bal met handtekeningen van de spelers van ons eigen eerste, die hij had gekregen toen hij pupil van de week was, stevig tegen zijn buikje aangedrukt. Een bal omhelzen, zoals je alleen de liefde van je leven omhelst. Hij leeft voor voetbal. Maar als Ajacied op Varkenoord, een beetje ongemakkelijk in het hol van de leeuw. Toch ging ik. Uiteraard ging ik. Als vader hoor je langs de lijn te staan. Het maakte mij vroeger ook trots als die ouwe er was, ik weet het nog zo goed.

Het veld werd omringd door een meer dan mans hoog hek. Afgetopt met prikkeldraad. Alsof het echte profs waren die beschermd moesten worden tegen lastige journalisten. Binnen de afrastering krioelden de voetballertjes door elkaar. Allen gehuld in hetzelfde Feyenoord-tenue, speciaal voor de school ontworpen. Ik zag bezwete koppies, aandachtig luisterend naar de trainers. Fanatisme tijdens de oefeningen, glunderen na een goede actie. En ik zag de droom in al die oogjes: later voetballen in De Kuip.

Mijn telefoon rinkelde. Een medewerkster van Ajax aan de lijn. Vorige week had ik een Ajax-shirt voor mijn andere telg gekocht. Hij wel besmet met het juiste virus. Het eredivisie-embleem liet echter los. Daarom had ik het ter reparatie teruggestuurd. De dame bevestigde dat het shirt op de post ging. Kon hij shinen op vakantie, in zijn Nouri-shirt. Zei ze.

Nouri.

Terwijl mijn telefoon in mijn broekzak gleed, moest ik denken aan de ouders van Nouri. Nooit meer kunnen genieten van je kind met zijn beste vriend. De bal. Je kind, dat doet wat hij heel de dag door zou willen doen. Voetballen. Nooit meer. En ik dacht aan Nouri zelf. Hoe hij ons betoverde met zijn genialiteit. Maar ook, hoe hij verbond. Feyenoorders met rugnummer 34, de Marokkaanse en Nederlandse gemeenschappen rouwend in Geuzenveld. Gebroederlijk als één.

Hoofdtrainer Mike Obiku stapte over het veld. Ferme passen. Opeens was hij niet meer de beul die ons in ’95 slachtte. Of de pipo in de hekken. Nee, plots een charismatische man. Die vriendelijk en gepassioneerd de liefde voor hét spelletje deelde met die kleintjes, voor hem onbekend. Een held. Niet mijn held, dat hoeft ook niet. Maar wel voor tienduizenden anderen. Opeens zag ik de schoonheid om mij heen. Overal mensen. Vegen, schrobben, klussen, broodjes smeren, frikadellen bakken, kankeren op een weigerende grasmachine. Iedereen in de weer voor dat clubje. Niet mijn clubje, dat hoeft ook niet. Maar wel voor tienduizenden anderen. Dat besef, respect mooier dan rivaliteit. Dankzij Nouri.

De tranen zullen opdrogen, de pijn zal verzachten. Tijd heelt alle wonden, want de wereld draait nu eenmaal door. Maar laten we veel aan Nouri blijven denken, tot in de eeuwigheid. Respect mooier dan rivaliteit.

Advertenties
RESPECT MOOIER DAN RIVALITEIT

CADEAU VOOR MIJN ZOON

Lieve Jesper,

Eens per jaar, ergens in de zomer. Voor jou een hoogtepunt. Dan gaan we samen achter de laptop zitten en mag je een voetbaltenuetje uitzoeken. Club en speler naar wens. Je dubt de weken die voorafgaan, zie ik. Wordt het Barcelona, Manchester United, Ajax of toch Real Madrid? Messi, Ronaldo, Ibrahimovic, Pogba, Fischer, Griezmann. De shirtjes van de groten der aarde lagen in de kast. Jouw idolen.

Ditmaal echter geen eigen keuze. Ik heb besloten. Nouri, nummer 34. Ik zal je uitleggen waarom.

Ik weet dat je droomt. Van alle grote stadions, de mensen vermaken, belangrijke goals scoren, toegejuicht worden uit tienduizenden kelen. Ajax, Oranje, later de stap naar de Premier League wellicht. Jezelf identificeren met die naam op je rug. Net zo beroemd, een heldenstatus bereiken. Blijf dromen, vriendje. Blijf dromen. Want die jongensdroom is zo intens. Maar begrijp me goed: van mij hoef je geen profvoetballer te worden. Voetballen bij ons eigen cluppie in het dorp is prima. Maak plezier, heb het leuk met je teamgenootjes en geniet van het spelletje. Niveau ondergeschikt.

Ook Nouri kon fantastisch ballen, bezat een extreem talent. Zelfs vergeleken met Johan. Illustere Johan Cruijff. Al zo jong bewonderd door velen, dikke auto, meer dan riant salaris. Ondanks de roem en het geld gewoontjes gebleven, respect voor ieder ander. Bescheiden, beleefd, niet opgeven na een tegenslag. Geen maniertjes, altijd die gulle lach.

Daarom. Juist zíjn shirt.

Misschien ga jij ergens in uitblinken. Morgen, volgende maand, straks, ooit. De beste van de klas (haha), sterspeler van het elftal, een kei in je werk, twee mooie meiden aan iedere hand. Laat dan anderen zeggen dat je het goed doet en wees zelf in stilte trots. Zoals hij.

Telkens als je het shirt aantrekt. Voor een training, naar het zwembad, op het veldje voor ons huis. Of later boven je bed. Denk dan even aan die kleine geweldenaar. Heel even maar, paar seconden is voldoende. Hoe hij het deed. Besef en gedraag als Nouri.

Snap je?

Fijne vakantie, maatje. Dik verdiend.

Papa

CADEAU VOOR MIJN ZOON

NOOIT MEER DANSEN

Ik stond afgelopen zaterdag op een festival, twee biertjes in mijn handen. Heerlijk zonnetje, briesje die de ergste hitte wegblies, weerzien met oude bekenden. Het leven was mooi, zo’n dag.

Opeens ontploften Twitter en WhatsApp. Er was iets met Nouri. Direct bezorgdheid. Ambulance, helikopter, schermen, reanimatie. Dokter De Winter vocht voor het leven van die kleine. Huilende mensen langs de lijn.

Uren later een enigszins geruststellende verklaring van Ajax. Stabiel, buiten levensgevaar. Het waren ‘slechts’ hartritmestoornissen. Slapend herstellen en daarna geleidelijk optrainen. Meestrijden om het kampioenschap, de wereld laten zien dat hij terug was. Dacht ik.

Al heel lang zong het rond op De Toekomst. We hebben een nieuwe Cruijff, eindelijk. Het voorbije seizoen de bekendheid bij het grote publiek. Met een schijntrap de tegenstander om laten kukelen, die onnavolgbare assist in Oranje, z’n eerste goal in Ajax 1 na toestemming van voetbalvader Lasse. Uitzonderlijk talent, door z’n geweldig karakter alom geliefkoosd. Een toekomst in de grootste stadions voor Appie in het verschiet.

Het was op 26 oktober, ik weet het nog goed. Tegen Kozakken Boys. Appie eiste iedere bal, dartelde en gaf onmogelijke steekballen. Openingen creëren die helemaal niemand had gezien. Als een dansende ballerina tussen de tegenstanders. Gracieus en ongrijpbaar. Exponent van het nieuwe Ajax: het publiek vermaken én presteren.

Vandaag het nieuws. Als een bom. Blijvende en ernstige schade. We weten allemaal wat dat betekent. Appie zal nooit meer dansen. En dat doet zo enorm veel pijn.

NOOIT MEER DANSEN

FEYENOORD KAMPIOEN

Mijn opa en oma waren voor Ajax. Daarom hun zoons ook. Een aantal van hen geboren en getogen in Betondorp. Dus Ajax zit ook in mijn hart. Da’s logisch, van generatie op generatie. Ik woon in het puntje van West-Brabant, vlakbij de brug richting Rotterdam. Dat verklaart de vele Feyenoord-fans in onze regio.

Woensdagmiddag, drie bordjes met broodjes hagelslag. Mijn kinderen waren destijds vijf en zeven, ofzo. Een van de beste vriendjes van mijn jongste telg op visite. Het ventje had een seizoenkaart van Feyenoord, samen met z’n vader. Om de week lieten zij zich pijnigen in De Kuip.

‘Pap, mogen we onze broodjes boven opeten?’
De vloer van slaapkamers en overloop bestrooid met chocolade korreltjes, dat wilde ik niet.
In een onbewaakt ogenblik trippelden mijn zoontjes toch de trap op. Inclusief hun broodjes met hagelslag.
Grote ogen bij het vriendje vanwege de ongehoorzaamheid. ‘Oho.’
‘Jij mag ook naar boven, hoor.’
Kereltje liep naar de deur.
‘Maar dan moet je wel eerst zeggen dat Ajax de beste club van Nederland is.’
Een gebbetje.
Hij had de klink al vast.

Zonder iets te zeggen draaide het vriendje zich om en wandelde naar het midden van de woonkamer. Hij schoof het kleine stoeltje onder het tafeltje vandaan en ging zitten, met z’n ruggetje naar mij toe. Geduldig verorberde hij het broodje, stond op en zette het stoeltje terug op z’n plaats. In de deuropening keek hij me doordringend aan, geen emotie van z’n gezichtje te lezen. Met de rug van z’n handje veegde hij z’n mondje af. En rende naar de eerste etage.

Nu, na al die jaren bol van teleurstellingen, vernederingen soms, eindelijk de hoofdprijs voor Feyenoord. Kan niet meer misgaan.

Aan het vriendje: gefeliciteerd met het welverdiende kampioenschap, maatje. Maak er een onvergetelijk feest van. Het is je gegund.

FEYENOORD KAMPIOEN

LUISTEREN NAAR JOHAN

Hij had natuurlijk gewoon zeventig moeten worden, Johan Cruijff. Daarna tachtig, negentig, honderdveertien liefst. Maar God stierf. Door zijn dood dreigde zijn filosofie over hét spelletje verloren te gaan. Zoon Jordi, Wim Jonk en een aantal jeugdtrainers die het Plan Cruijff bij Ajax uitvoerden, hebben zich verenigd om Cruijffs voetbalnalatenschap te bewaken. En te verspreiden. Afgelopen dinsdagavond, toepasselijk op 25 april, organiseerden zij een eerste inspiratiesessie in het Olympisch Stadion: Cruijffiaans opleiden.

Een kleine 150 man, vermoed ik. Uit alle windstreken van het land naar Amsterdam getogen. Op het scherm Johan de voetballer. Razendsnel en onberekenbaar. Daardoor ongrijpbaar. Dribbels, acties, goals. Filmpjes waarvan ik al honderden, zo niet duizenden keren genoot. Met mij de rest van de aanwezigen ook, kan niet anders. Beelden die nooit zullen vervelen. Naar hem kijken in zijn stad, in het stadion waar hij successen vierde. Door het raam zag ik al die mensen in een oranje t-shirt met de beeltenis van Johan voorop. Deelnemers aan de 14K Run. Extra cachet.

Toen Johan de wereld liet zien hij goed hij kon voetballen was ik nog jong. Te jong om dat bewust mee te maken, deels zelfs nog niet geboren. Later, als trainer en orakel, raakte ik gefascineerd. Vooral door zijn simpele uitspraken. Niet dat ik er iets van begreep, dat kon ook helemaal niet. Want Johan was voetbalhoogbegaafd en ik niet. Dus complexe situaties waren voor hem zo simpel. Daarom altijd ‘da’s logisch’. Voor hem wel, maar voor mij als doodgewone amateurlinksbuiten niet te snappen. Dat verklaart overigens ook waarom best veel mensen hem juist geen fijn mens vonden. Andersom zal hij ongetwijfeld moeite hebben gehad met ons ‘normale’ liefhebbers. Waarom we iets eenvoudigs maar niet vatten. Elkaar niet kunnen volgen, geheid ellende. Google maar eens op hoogbegaafdheid en problemen.

Wim Jonk doceerde, geïnterviewd door meestertacticus Pieter Zwart. Johan dacht niet in systemen, maar hanteerde spelprincipes. Vooruit verdedigen en denken, zoek de één tegen één, de derde man is een sleutelfiguur, maak driehoekjes, creëer chaos. Train het individu, niet het team. Want: ‘Ik heb nog nooit een heel team in het eerste zien debuteren.’ De kracht van eenvoud. Fragmenten uit grote wedstrijden om zijn gedachtengoed visueel te maken.

Daarna twee trainers die uitlegden hoe je de ideeën vertaalt naar oefeningen voor jeugdspelertjes. Drillen heeft geen nut. Maak de spelertjes bewust, laat ze het zelf verzinnen en ontdekken. Speel partijtjes zonder keeper, dan zetten ze vanzelf druk op de bal. Bang voor een gemakkelijke tegengoal. Breng ‘de straat’ terug, mix leeftijden. Optrekken aan de grote jongens, ontwikkelen van leiderschap bij de ouderen. En: oefen, oefen, oefen. Herhaal, herhaal, herhaal. Uren maken, erin slijten.

Het slotakkoord was voor Michel Hordijk. Een gezongen ode aan Johan. De woorden, gitaarmuziek, een dartelende Johan op de achtergrond, spelend met tegenstanders. Het gemis enorm voelbaar.

Ooit had ik de droom om ooit eens met Johan over voetbal te mogen praten. Half uurtje, in een hoekje van de kroeg. Drie bierviltjes en een balpen. Vergapen aan zijn voetbalvernuft. Antwoord krijgen op vragen, het begrijpen. Na zijn overlijden wist ik dat die droom definitief was vervlogen. Echter, dinsdagavond bleek een bevredigend alternatief. Toch een beetje kunnen luisteren naar Johan.

 

LUISTEREN NAAR JOHAN

IBRAHIMOVIC

De eerste keer dat ik je zag. In het zonnetje, dichtbij het veld. Ter hoogte van de middenlijn. Links naast me mijn vader en rechts een oom. Neefje stuiterend aan de reling, zijn debuut op de tribune bij Ajax.

Je was een grote onbekende. Uit Zweden, had nog nooit van je gehoord. Lang, slungelig, beetje onverschillig. Niet echt de uitstraling van een stervoetballer. Toen, opeens. Die akka. Bijna op de achterlijn. De verdediger van Liverpool compleet het bos in. Je stal mijn hart. Op dat moment.

De waanzinnigste doelpunten, het hoogtepunt tegen NAC. Zaalvoetbal in de ArenA. Dat je zó goed zou worden, had ik niet kunnen bevroeden. Maar jij was overtuigd. Dus je slaagde.

Het logische vertrek. Ajax, Juventus, Inter, Barcelona, AC Milan, PSG en nu Manchester United. Al die kampioenschappen in het buitenland. Groter dan in een jongensdroom.

Donderdagavond stond ik schreeuwend in de kroeg. Halve finale. Ik hoopte op een weerzien, al zou dat de minst gunstige loting zijn. Nog één keer jou bejubelen in eigen stadion. Een staande ovatie, want je bent nog steeds van ons. Tranen van trots, ik weet niet of je dat begrijpt.

Zojuist stormde mijn zoontje binnen. Ook hij is inmiddels idolaat. De blessure is ernstig, gilde hij. Kruisbanden, vijfendertig, doodse stilte in de woonkamer.

Word snel beter, held. Want zo mag het niet eindigen.

IBRAHIMOVIC

DE ALLERBESTE LINKSBUITEN OOIT

Het was tijdens de viering van de zestigste verjaardag van de eredivisie. Enige maanden geleden, op Het Kasteel. De groten van vroeger hadden zich verzameld om herinneringen op te halen. De mooiste doelpunten van de afgelopen decennia op schermen aan de wand, weerzien van oude bekenden, anekdotes onder het genot van een borrel en bitterbal.

Ik stond met mijn handen in mijn zakken. Achteraan, zodat ik de ruimte kon overzien. In een straal van anderhalve meter rondom mij Van der Sar, Jonk en Reiziger. Spelers die mij als Ajaxsupporter hadden doen juichen, laten genieten. Toen we nog heerser waren in Europa. Opeens zag ik dat Piet Keizer naast me zat. Op ’n tafeltje. Piet Keizer, een rilling door mijn lijf.

Al jarenlang ben ik iedere zaterdagmiddag een linksbuiten. Op mijn eigen lage niveautje. Linksbuitens zijn een beetje anders. Dwars, moeilijk, eigenwijs. En grillig: soms dramatisch, maar af en toe ook geniaal. Alles of niks. Negenentachtig minuten vervloekt worden door medespelers en dan met een geweldige actie de wedstrijd beslissen.

Daar zat-ie. De allerbeste nummer 11 die er ooit op de velden heeft rondgelopen. En ik stond naast hem. Het was er eigenlijk niet de gelegenheid naar om hem aan te spreken. Ik moest professioneel zijn. Maar ik ben ook gewoon een klein jongetje met helden. Ik twijfelde. Zal ik. Durf ik. Mag het.

Ik deed.

‘Meneer Keizer, zou ik me u op de foto mogen?’
Hij keek me een halve seconde aan.
‘Nee.’
Draaide zijn hoofd weer weg.
Zo resoluut was ik nog nooit afgewezen. Ik was van mijn stuk. Behoorlijk zelfs.
Meneer Keizer zag dat ik schrok. In onvervalst Amsterdams: ‘Sorry, jongen. Als ik met jou op de foto ga, moet ik met iedereen. Daar heb ik geen zin in.’
‘Maar meneer Keizer, ik ben ook een linksbuiten.’
Ik gaf niet op.
‘Snel dan.’
Het werd door de zenuwen niet de beste selfie die ik ooit heb gemaakt. Maar ik koester het beeld van dat jongetje met de held.

Vanochtend werd ik wakker met het nieuws dat hij is overleden. De backs boven hebben een probleem.

DE ALLERBESTE LINKSBUITEN OOIT