WILLEM

Zo’n drie jaar geleden werd ik door zakenrelatie Dennis uitgenodigd. Voetbalavondje in een Bredase kroeg, genaamd Bier & Ballen. Bekenden uit de voetballerij op het podium die vertelden over hun belevenissen. Wij dronken bier, veel. Willem van Hanegem was de hoofdgast. Aan het einde van de show werd zijn boek geveild. Opbrengst voor een goed doel. Willem zou ter plekke signeren. Dennis kocht het boek en mocht naar voren komen.

Hij trok me aan mijn arm.
‘Mee, foto’s maken.’

Ik kiekte beneveld. Dennis en Willem, armen over elkaars schouders. Het boek voor hun borst.

‘Als je nog meer boeken wilt, moet je me maar bellen. Ik heb er thuis nog meer,’ zei Willem tegen Dennis.
‘Maar ik heb jouw nummer toch niet.’ Verbouwereerd.
Willem pakte het boek terug. Trok met zijn tanden het doppie van de stift en schreef een telefoonnummer op de achterkant van het boek.
Vijf biertjes later maakte ik een foto van het nummer, stiekem.

De volgende avond zat ik wederom in een café. Na de training een afzakkertje doen. Rond middernacht, ik liet de foto zien. Vermoedelijk heeft Willem ons in de maling genomen, lachte ik.
Een maatje zette zijn nummerweergave uit en belde.

Eerst de bekende computerstem. ‘Dit is de voicemail van…’
Even stilte.
‘Willem.’

Zo is Willem nu eenmaal, volgens mij. Hij is geen ster of held. Slechts een gewone man, vindt hijzelf. Benaderbaar voor iedereen. Toen hij nog voetballer was, had hij eens een jas gekocht van zevenhonderd gulden. Wandelde de winkel uit, bijna een dakloze ondersteboven. Die had het koud. Willem schonk de jas. Want de ander had het harder nodig.

Het filmpje met Louis van Gaal. Willem en Louis als coaches van mini-Feyenoord en mini-Ajax. Louis schreeuwde, wees en zweepte. Willem aaide bolletjes, veegde snottebellen en strikte veters. Als een vader voor die hummeltjes.

De tranen aan tafel bij Ziggo Sport. Om de dood van Johan. Willem had gedacht dat Johan onsterfelijk was. Grote Willem verdrietig als een kleine jongetje. Puur, intens, oprecht.

Willem is ziek. Gelukkig goed te genezen. Toch, niet zomaar een griepje. We tellen af naar de Klassieker. Nog twee nachtjes slapen tot de Wedstrijd van het Jaar. Zondag, de twaalfde minuut. Een staande ovatie, onze steun aan dat fijne mens. Zestig seconden de rivaliteit op pauze. Zou ik mooi vinden.

Advertenties
WILLEM

CADEAUTJES VOOR MAMA

Op een vroege zaterdagmorgen zaten we samen in de auto. Vicky en ik. Ik vertelde dat mama bijna jarig was en dat we daarom cadeautjes voor haar gingen kopen.

‘Jaaaaaaaa, cadeautjes.’

Lang zal ze leven, uit volle borst. Een verkorte versie weliswaar, maar ze begreep klaarblijkelijk wat jarig zijn betekent. Hieperdepiep, hoera. Twee kleine handjes in de lucht.

In de winkel ging het telkens zo:
‘Deze ook leuk.’
‘Zullen we die dan kopen voor mama?’
‘Nee.’

Ik vermoedde vrouwelijke niet-kunnen-kiezen-genen. Totdat ze riep: ‘Cadeautje, ben je nou?’ Ah, ze zocht dus ingepakte presentjes. Misverstand. Ik legde uit. De keuze was daarna snel gemaakt.

Vervolgens deden we ook de drogisterij aan. Want, natuurlijk: mama extra verwennen. Met samengeknepen oogjes speurde ze rond. Haar hersentjes draaiden op volle toeren. Zonder weifelen wees ze.

‘Die.’

De verkoopsters maakte er een kunstwerkje van. Mooi papiertje, sliertjes, stickertje.

In de auto keken we elkaar aan. Ik zag een uiterst voldaan meisje. Ze wist het zeker. Mama zal heel erg blij zijn met het servies van Frozen. En de spiksplinternieuwe fles HG Afvoerstank verwijderaar.

CADEAUTJES VOOR MAMA

HET RELATIVERENDE VERMOGEN VAN EEN KEEPERTJE

Lang had ik getwijfeld. Of ik het moest doen, jeugdtrainer worden. Samenwerken met m’n zoontje, lukt dat? Mijn andere spruit minder zien voetballen, is dat eerlijk? Halverwege de opleiding van die gastjes als onervaren trainer instromen, verstandig? Ik besloot uiteindelijk de uitdaging aan te gaan.

Waarom? Johan Cruijff fascineerde mij. De dingen die hij zei, over voetbal. Ik begreep er geen snars van, maar ergens leek het te kloppen wat hij orakelde. Enkele maanden geleden woonde ik een bijeenkomst en voorbeeldtraining van Cruyff Football bij. Een organisatie onder leiding van Wim Jonk die zich tot doel heeft gesteld om de voetbalnalatenschap van Cruijff te bewaken en te verspreiden. Ik kreeg uitleg. In Jip en Janneke-taal werd me verteld wat de grote meester nu precies bedoelde. In heel grote lijnen: denk niet in systemen, maar in spelprincipes. Kauw die brakkies niets voor, maar help ze ontdekken. Train het individu en niet het team. Want: ‘Ik hep nog nooit een heel elftal zien debuteren in het eerste.’

Bloedfanatiek bereidde ik me tijdens het zomerreces voor. Hesjes regelen, oefeningen verzinnen, kleine balletjes kopen (afwisseling in ballen houdt je geconcentreerd bij de balbehandeling). Het vereenvoudigen van de spelprincipes, zodat het behapbaar zou zijn voor mijn JO13-1. De bal blijft altijd op de grond, de bal dusdanig aannemen dat je direct door kunt spelen, je hoeft niet per se naar voren te passen (ik liet ze een filmpje zien van een goal van Arsenal tegen Basel over 32 schijven). En als jij de bal wilt hebben, zorg dan dat je dichtbij genoeg bent. Alleen dan kan je maatje jou over de grond inspelen.

Vrijdagavond. Papiertje voor mijn neus, opstelling uitdenken. We hadden alle competitiewedstrijden al verloren, enkele behoorlijk dik en kansloos. De koploper kwam op visite. Moesten we opportunistischer gaan spelen, de verdediging had namelijk veel onder druk gestaan door mijn eis om de bal op de grond te houden? Of doorbijten, anders leren ze het nooit? Het laatste, hoopte ik. Zeer vurig.

Ik had slecht geslapen. Woelen, draaien, tobben. Jaag ik ze niet weer richting een gruwelijke oorwassing? We speelden op het hoofdveld. Voor het overdekte terras waar de ouders hun kinderen aanmoedigen. Het werd een geweldige wedstrijd. Slechts 1-1, maar ze hadden zoveel meer verdiend. Heerlijk als vader om te zien dat die kleine mannen en vrouw plezier beleefden aan hun sport, genieten als liefhebber van het verzorgde voetbal en de strijd. En heel veel opluchting als trainer. Het zat er dus wel in.

Door de meute heen liepen we richting kleedkamer. Complimentjes vielen de gladiatoren ten deel. Ze zaten op de bankjes, tegenover elkaar. Moegestreden. Ik vertelde dat ik van ze had genoten, gemeend. ‘En,’ zei ik, ‘de supporters zijn trots op jullie.’ Mijn keepertje, in de hoek van de kleedkamer, stootte zijn buurman aan. ‘Hoor je dat? Die vijf supporters zijn trots op ons.’ Ze proostten met hun bekertjes ranja. Relativeren, een gave.

HET RELATIVERENDE VERMOGEN VAN EEN KEEPERTJE

MET HENK EN ZIJN RENAULT

In de Renault van Henk. We waren onderweg naar een uitwedstrijd, Henk en ik. Ooit had ik zelf ook een Renault. Vol met elektronica, ging iedere keer kapot. Als mijn Renault een garage zag, wilde-ie naar binnen. Dat brik heeft me handenvol geld gekost. Henk had inmiddels ook al een aantal reparaties achter de rug die je niet mag verwachten van een auto van slechts drie jaar oud. Een Renault koop je maar één keer. Wij waren het daarmee roerend eens.

Wie weleens in Halsteren heeft gevoetbald, weet dat je meestal aan de laan in het bos moet parkeren. Prachtige omgeving, stukkie wandelen naar de velden. Twee uur later hadden we verloren. Kansloos met 3-0. Van tegenstanders die jonger, slanker, fitter en feller waren dan wij. Verlies deert ons niet meer. Het plezier om de gemiste penalty, een warme douche en de blikjes verjaardagpils maakten alles goed.

Duisternis toen we naar de Renault liepen. Henk met ballen in het net, ik zeulde de lege koelbox mee. Beiden een voetbaltas over de schouder. Henk drukte op het knopje van de afstandsbediening. Er gebeurde niets. Hij drukte nogmaals. Ook ik probeerde, alsof Henk niet op een knopje kon drukken. Waarschijnlijk het batterijtje leeg, concludeerde Henk. Onze maatjes scheurden ondertussen richting thuiskantine, op weg naar een aantal afzakkertjes. In het kastje waarmee je de auto kunt ontgrendelen, zit ook een old skool sleuteltje. In geval van een leeg batterijtje. Henk probeerde, ik scheen bij met mijn telefoon. Lukte niet. Ik probeerde, alsof Henk niet een deur open kon maken met een sleuteltje. De Renault bleef hermetisch afgesloten. Henk trachtte het portier aan de bijrijderskant te openen, maar gaf het na een minuut of vier prullen op. ‘Hier zit geen gaatje.’ Henk schakelde de Wegenwacht in. Het was druk, vertelde de mevrouw. Kon nog wel even duren. Henk sprak af dat we gebeld zouden worden als hulp aanstaande zou zijn. We keken elkaar aan, schouderophalend. Renault hè.

Aan de bar hadden Henk en ik een fijn gesprek, wachtend op de gele redder. Henk is zo’n tien jaar ouder dan ik. Verder in z’n ontwikkeling als ondernemer, mens en vooral als ouder. Wijze lessen hoe puberende kinderen toch dichtbij je te houden. Afgewisseld door volwassen-mannen-die-eigenlijk-nog-kwajongens-zijn-praat. Mooi man, zou Henk zeggen. Opeens een berichtje van Jeffrey in de groepsapp van Seolto 4. Vanaf de parkeerplaats van ons eigen cluppie, een half uur verderop. Jeffrey was na de wedstrijd met een teamgenoot meegereden en had daarna nog van de gezelligheid genoten. Nu wilde hij naar huis, met de nieuwe auto die hij de week ervoor had gekocht. ‘Nog meer mensen met een Renault die ‘m niet open krijgen?’ Afstandsbedieningen verwisseld.

MET HENK EN ZIJN RENAULT

MET MIJN VRIENDJE NAAR HET BELOOFDE VOETBALLAND

Het was donker op de bovenverdieping. Slechts het licht in de badkamer brandde. Moe en fris gedoucht, na een drukke dag. Een walm achtervolgde me. Stoom, deodorant. Mijn jongste zoontje lag net in bed. Ik kroop bij hem onder de wol. Dicht tegen elkaar aan. Nog even kroelen voordat de nacht begint. Toen zoonlief nog heel klein was, noemde hij het ‘samen slapen’.

Hij was drie. Gingen we de oudste naar de training brengen. Vooraf een balletje trappen, meter of tien. Aannemen, terugspelen. Serieus en gedreven. Apetrots na een complimentje. ‘Pap, wanneer mag ik met de grote jongens meedoen?’ Al op jonge leeftijd had hij het voetbalvirus te pakken. Heftig, hardnekkig en ongeneeslijk. Net als ik.

‘Ik heb een verrassing,’ zei ik. En kriebelde met mijn tenen zijn rechterbeen.
‘Wat dan?’
Hij ging rechtop zitten, volledige aandacht.
Ik vertelde dat ik twee kaartjes had geregeld voor een thuiswedstrijd van Chelsea. Zijn favoriete club uit het beloofde voetballand. Hand in hand tussen de zingende supporters naar het stadion lopen. Plaatsen vlak achter de dug-out, de passie voelen op de tribunes. Overnachten in het Chelsea-hotel, rondleiding door Stamford Bridge, de volgende dag ook nog naar Wembley. Een week voor Kerst, volop gezelligheid in Londen. Sfeer, lampjes en overal blije mensen. Op pad met mijn vriendje. Zonder de meiden en bemoeiachtige broer. Geen huiswerk, niet de hond uit hoeven laten. McDonald’s, misschien wel drie keer. Alleen wij tweeën. Met onze liefde. Voetbal.

Ik had mijn tanden gepoetst. Dan maak ik altijd nog een rondje langs mijn kroost, voor het slapen gaan. Hij lag overdwars in bed. Z’n iPad stond nog aan, had hij stiekem tevoorschijn getoverd. Een filmpje. De mooiste doelpunten van Chelsea. Vriendje kan niet wachten. En ik ook niet.

MET MIJN VRIENDJE NAAR HET BELOOFDE VOETBALLAND

TRAUMA

Ieder jaar eenzelfde ritueel als we op de camping arriveerden, waar ook in Europa. Pa draaide de pootjes van de caravan naar beneden en moeders laadde de auto uit. Ik ging direct op pad. Met m’n crossfiets, bal onder de arm. Op zoek naar jongetjes die met me wilden voetballen.

Altijd vond ik ze. Wat ook de  nationaliteit was van mijn maatjes, we spraken dezelfde taal. De taal van voetbal. Schat ligt onder, om de beurt keepen, scheidsrechter niet nodig. Een heerlijke tijd.

Zomer 1988, ik was dertien. Trots als een pauw paradeerde ik over een Duits vakantiepark richting voetbalveld. In mijn Adidas-tenue. Leeuw op mijn borst, grote letters ‘Holland’ op mijn rug. Europameister, dat was ik.

Voor het restaurant stonden twee doeltjes. Veel kereltjes aan het voetballen, allemaal Duitsertjes. Ouders op het terras. Bier en wijn. Of ik mee mocht doen, vroeg ik. Ze keken naar mijn shirt en daarna naar elkaar. De blikken in die oogjes, onverschilligheid. Mijn Europees Kampioenschap in het niet bij hun wereldtitels. Zelden heb ik me zo geminacht gevoeld.

Ik had het mijn zoontjes gegund. Die ster. Een teen waren we ervan verwijderd. Eén teen. Het mocht niet zo zijn. Voordat we weer een Nederlands elftal hebben dat zich kan meten met de toplanden zal mijn kroost volwassen zijn.

Als het ooit zover komt. Dat we de allerbeste zijn. Dan ga ik op vakantie in Duitsland. En zoek ik ze weer op, die Duitse ventjes. Samen met mijn kleinkind. Of we mee mogen doen, ga ik dan vragen. Om mijn trauma te verwerken.

TRAUMA

WAKKER WORDEN MET EEN PUP

We wilden weer een hondje. Voor ons is er maar één ras: de boxer. Extreme mensenvriend, het idiote enthousiasme als je de huiskamer binnenkomt. Zelfs na een toiletbezoekje word je begroet alsof je drie weken op vakantie bent geweest.

Gisterenochtend hebben we haar opgehaald. Zus, heet ze. In de auto deed ze het goed. Weinig piepen, beetje slapen. Haar nieuwe thuis werd snuivend verkend. Direct dikke maatjes met de kinderen. Ach, het vloerkleed moet al wel naar de stomerij vanwege zindelijkheidprobleempjes. Maar dat was ingecalculeerd.

22281616_1465874026867300_2735883192793144339_n

En toen werd het tijd om te gaan slapen. Haar bench stond klaar. Handdoeken, speeltjes en een lap met de geur van het geboortenest. Mevrouw stribbelde echter behoorlijk tegen.

Na een half uur met gejank, geschreeuw en schel geblaf ging ik naar beneden. Ik besloot om op de bank te overnachten met de bench naast me. Kon ik haar laten weten dat ze niet alleen was, zo had ik bedacht. Dat plan bleek niet te werken. Nog steeds dikke paniek achter de tralies.

In het belang van iedereen (inclusief de buren en mijzelf) nam ik haar bij me op de bank. Dat bracht rust in huis. Ze zocht een plekje dicht tegen me aan. Als vervanging van de warmte van haar moeder en een berg broertjes en zusjes. Eenieder die boxers kent, weet dat boxers niet bij je gaan liggen, maar óp je. Half over mijn hoofd viel ze in slaap. Zij wel. Ik niet, dat duurde een uurtje of twee.

Vannacht ben ik een aantal keer wakker geworden. Omdat er fanatiek aan mijn oor werd geknabbeld. Omdat er grommend aan mijn kussen werd gerukt. Omdat ik wild werd besprongen. Omdat ik geen adem meer kreeg vanwege een snurkend hondje op mijn gezicht. Ik wilde een boxertje, ik kreeg een boxertje.

Ik meende een heel lange gaap te horen. Ergens in de verte. Met één oog zag ik op de klok dat het vijf voor zeven was. Gebroken door het capriolen van ons nieuwe vriendinnetje, ontwaakte ik. We lagen inmiddels lepeltje-lepeltje, Zus en ik. Ze strekte zich uit, na een heerlijke nacht. Langzaam voelde ik mijn rug warm worden. Ik keek achter me. En zag een tevreden hondje. Met een lege blaas.

WAKKER WORDEN MET EEN PUP