KAMP VUGHT

De juf klapte in haar handen. Direct daarna nog tweemaal. Aandacht bij alle kinderen. Over enkele minuten het vertrek naar Kamp Vught, excursie groep 7.

Met eigen oogjes zien wat de mensen moesten doorstaan, pakweg vijfenzeventig jaar geleden. Ondenkbare gruwel. Beseffen dat wij het goed hebben. Leven in vrijheid en veiligheid. Zonder sadisme en idioterie van een bezetter.

De groepjes werden bekend gemaakt. Het schema doorgenomen. Juf eiste respect eenmaal in het kamp. De ernst voelbaar in de klas, stilte.

Een vinger.

‘Nemen we ook een bal mee?’

Een baby pakt ‘n knuffel of speentje in de mond. Meisjes kruipen tegen hun vader aan. En jongens vinden geborgenheid bij de bal. Als het spannend wordt.

IMG_0245

IMG_0307

IMG_0337

IMG_1023

IMG_1497

IMG_1504

IMG_1642

IMG_1980

IMG_2106

IMG_2304

IMG_2331

IMG_2842

IMG_2851

IMG_3042

IMG_3787

IMG_4216

IMG_5077

IMG_5529

IMG_5533

IMG_5929

IMG_5996

IMG_6115

IMG_6254

IMG_6772

IMG_6817

IMG_7155

IMG_7694

IMG_7792

IMG_7831

IMG_8301

IMG_8513

IMG_8823

IMG_9206

IMG_9507

IMG_9620

IMG_9676

Advertenties
KAMP VUGHT

INIESTA

Natuurlijk weet ik nog exact waar ik was, 11 juli 2010. Op het terras bij een vriend. Iedereen in het oranje, drank vloeide rijkelijk.

Maar het voelde niet goed, die avond. Zo anders dan de voorgaande wedstrijden. Klus geklaard, op naar de volgende. Een simpele horde op weg naar het ultieme doel: de wereldtitel. Brutaal en vol zelfvertrouwen. Echter niet tijdens de finale.

Niettemin, opeens. Robben weg, een paar meter los. Rondom mij stokte adem. Het leek slow motion. One shot, one opportunity. Once in a lifetime.

Een teen. Eén teen verwijderd van eeuwige trots.

Daarna de rode kaart. Kracht uit de benen, hoofden zonder geloof. Het onvermijdelijke. Goal. De droom spatte, voorgoed wellicht.

Iniesta

Die kleine geweldenaar alleen in huis, zijn thuis. Einde. Nu eens geen drukte en adoratie. Het gras kriebelde zijn blote voetjes. Tijd nemen voor besef. Al die prijzen. Veel, heel veel. Misschien wel de meeste van allemaal.

Ooit durfden wij te fluiten, in de ArenA. Naar onze beul. Schofterig en gênant. Wij, met een grote bek. Natie zonder ster.

Voor wat hij de voetbalwereld gaf, past slechts nederigheid. En liefde. Met tranen.

INIESTA

GENIETEN ALS ER NIETS TE GENIETEN VALT

Afgelopen zaterdag. Er stond voor ons niets meer op het spel. Want je kunt niet degraderen uit de laagste klasse en een kampioenschap zal voor ons oudjes nooit meer weggelegd zijn. Ontspannen bereidden we ons voor op één van de laatste wedstrijden van het seizoen. Tijdens de bespreking was er opeens de druk op onze schouders. Plots, onverwachts, toch. De tegenstanders namelijk nummer twee op de ranglijst. De koploper had ons twintig (!) kratten bier in het vooruitzicht gesteld indien we zouden winnen. Twintig kratten bier. Voor voetballers in de vijfde klasse reserve staat dat gelijk aan het behalen van de Champions League.

Mijn clubje is maar klein. Zo nu en dan mag er een pareltje uit onze jeugdafdeling tijdelijk de overstap maken naar NAC. Bekende spelers hebben we nimmer voortgebracht. Maar op dit moment dartelen er zelfs drie diamantjes in de JO7 en JO9. Scouts van Feyenoord en PSV zijn geregeld op ons sportpark te vinden om die hummeltjes nauwgezet te volgen. Eén van hen is Mikey. Slechts zes jaar oud, misschien zeven. Mikey leeft voor het voetbal, kan niet slapen zonder bal als hoofdkussen. Altijd aan het voetballen, alleen of met zijn grote broers en zus. Met vriendjes. Al-tijd, o-ve-ral. Huilen als hij na een hele dag op de club om 19.00 uur naar huis moet. ‘Nu al?’. Iedere thuiswedstrijd naar NAC, tussen de harde kern op de B-Side. Net zo fanatiek en gepassioneerd als zijn vader. Voetbal is alles voor Mikey. Al-les.

Onze wedstrijd was niet leuk. Althans, dat vond ik. De tegenpartij was veel beter. We werden teruggedrongen en probeerden via de counter gevaarlijk te worden. Lange ballen. Gruwelijk voor een linksbuiten. Ik wil (en kan) niet koppen. De spaarzame ballen die ik wel in mijn voeten kreeg, verprutste ik. Ik had moeten scoren en mijn maatje tot tweemaal toe in stelling moeten brengen. Het lukte niet, zo’n dag. Dieper: wederom het besef dat het lijf niet meer kan wat het hoofd graag zou willen. De Aftakeling, steeds vaker. Daarbij, twee teamgenoten afgevoerd naar het ziekenhuis. Tot overmaat van ramp liepen we ook de beloning mis, want het bleef 0-0. Er viel niets te genieten. Op dat ene momentje na.

09eda9a8-b1d2-47d1-8e98-b44aabf2535c

Mikey stond te kijken bij onze wedstrijd. Naast de dug-out, metertje van de zijlijn. Handjes op zijn rug. Een heel hoge bal miste richting en vloog het veld uit, precies naar het plekje waar Mikey stond. Mickey nam de bal aan. In één keer, dood. Handjes nog steeds op de rug. Daarna rolde hij de bal onder zijn voet naar de speler die de ingooi wilde nemen. Die techniek, de zelfverzekerdheid, het gemak, de nonchalance van dat kleine ventje. Veel meer waard dan twintig kratten bier.

GENIETEN ALS ER NIETS TE GENIETEN VALT

ODE AAN DE LIJNENTREKKERS

Een graad of zes na lichte nachtvorst, de fijnste zaterdagochtenden. Kleintjes rennend over het complex. Extra uitgelaten, omdat pas op het laatste moment duidelijk werd dat hun wedstrijd doorging. Zonnetje aan de hemel, rijp op de velden, rode wangetjes. Hemelse geur, mengelmoesje van natuurgras en een kluitje modder.

Het heerlijke gevoel als je naar je kind staat te kijken. Genieten van zijn plezier in het voetbalspel. Misschien wel nóg intenser: straks zelf ook de kicksen aan. Het moment in de week dat je voor even weer een jongetje bent. De bal het allerbelangrijkste, dagelijkse beslommeringen niet aan de orde. Wereldproblematiek, aan me reet roesten. Daarna bier.

Met samengeknepen ogen blazen in een papieren bekertje met koffie. Staafje suiker en klonterende poedermelk. Bedrijvigheid overal. Trainers, scheidsrechters, kantinepersoneel, de man met een grote rammelende sleutelbos aan het lusje van zijn broek. Al die mensen in de weer om het clubje draaiende te houden. Vrijwillig en gepassioneerd. Zoveel liefde. Dat clubje voor mij al bijna veertig jaar een thuis.

Zonder die handjes, gratis en voor niks. Vriendelijk en louter voor ons gerief. Zal het niet gemakkelijk zijn. Onmogelijk wellicht om onze beminde hobby te beoefenen. De voornaamste figuren zijn echter niet aanwezig op wedstrijddagen. Door de week is het sportpark hun domein. Een pilsje tappen kan iedereen. Vloeren dweilen niet zo moeilijk, ballen pompen geen probleem. De voorzitter op vakantie, de wereld draait wel door. Maar een veld zonder lijnen is slechts een weiland zonder ziel.

IMG_4114
Foto: Willem de Kam voor SANTOS Magazine

ODE AAN DE LIJNENTREKKERS

WILLEM

Zo’n drie jaar geleden werd ik door zakenrelatie Dennis uitgenodigd. Voetbalavondje in een Bredase kroeg, genaamd Bier & Ballen. Bekenden uit de voetballerij op het podium die vertelden over hun belevenissen. Wij dronken bier, veel. Willem van Hanegem was de hoofdgast. Aan het einde van de show werd zijn boek geveild. Opbrengst voor een goed doel. Willem zou ter plekke signeren. Dennis kocht het boek en mocht naar voren komen.

Hij trok me aan mijn arm.
‘Mee, foto’s maken.’

Ik kiekte beneveld. Dennis en Willem, armen over elkaars schouders. Het boek voor hun borst.

‘Als je nog meer boeken wilt, moet je me maar bellen. Ik heb er thuis nog meer,’ zei Willem tegen Dennis.
‘Maar ik heb jouw nummer toch niet.’ Verbouwereerd.
Willem pakte het boek terug. Trok met zijn tanden het doppie van de stift en schreef een telefoonnummer op de achterkant van het boek.
Vijf biertjes later maakte ik een foto van het nummer, stiekem.

De volgende avond zat ik wederom in een café. Na de training een afzakkertje doen. Rond middernacht, ik liet de foto zien. Vermoedelijk heeft Willem ons in de maling genomen, lachte ik.
Een maatje zette zijn nummerweergave uit en belde.

Eerst de bekende computerstem. ‘Dit is de voicemail van…’
Even stilte.
‘Willem.’

Zo is Willem nu eenmaal, volgens mij. Hij is geen ster of held. Slechts een gewone man, vindt hijzelf. Benaderbaar voor iedereen. Toen hij nog voetballer was, had hij eens een jas gekocht van zevenhonderd gulden. Wandelde de winkel uit, bijna een dakloze ondersteboven. Die had het koud. Willem schonk de jas. Want de ander had het harder nodig.

Het filmpje met Louis van Gaal. Willem en Louis als coaches van mini-Feyenoord en mini-Ajax. Louis schreeuwde, wees en zweepte. Willem aaide bolletjes, veegde snottebellen en strikte veters. Als een vader voor die hummeltjes.

De tranen aan tafel bij Ziggo Sport. Om de dood van Johan. Willem had gedacht dat Johan onsterfelijk was. Grote Willem verdrietig als een klein jongetje. Puur, intens, oprecht.

Willem is ziek. Gelukkig goed te genezen. Toch, niet zomaar een griepje. We tellen af naar de Klassieker. Nog twee nachtjes slapen tot de Wedstrijd van het Jaar. Zondag, de twaalfde minuut. Een staande ovatie, onze steun aan dat fijne mens. Zestig seconden de rivaliteit op pauze. Zou ik mooi vinden.

WILLEM

CADEAUTJES VOOR MAMA

Op een vroege zaterdagmorgen zaten we samen in de auto. Vicky en ik. Ik vertelde dat mama bijna jarig was en dat we daarom cadeautjes voor haar gingen kopen.

‘Jaaaaaaaa, cadeautjes.’

Lang zal ze leven, uit volle borst. Een verkorte versie weliswaar, maar ze begreep klaarblijkelijk wat jarig zijn betekent. Hieperdepiep, hoera. Twee kleine handjes in de lucht.

In de winkel ging het telkens zo:
‘Deze ook leuk.’
‘Zullen we die dan kopen voor mama?’
‘Nee.’

Ik vermoedde vrouwelijke niet-kunnen-kiezen-genen. Totdat ze riep: ‘Cadeautje, ben je nou?’ Ah, ze zocht dus ingepakte presentjes. Misverstand. Ik legde uit. De keuze was daarna snel gemaakt.

Vervolgens deden we ook de drogisterij aan. Want, natuurlijk: mama extra verwennen. Met samengeknepen oogjes speurde ze rond. Haar hersentjes draaiden op volle toeren. Zonder weifelen wees ze.

‘Die.’

De verkoopsters maakte er een kunstwerkje van. Mooi papiertje, sliertjes, stickertje.

In de auto keken we elkaar aan. Ik zag een uiterst voldaan meisje. Ze wist het zeker. Mama zal heel erg blij zijn met het servies van Frozen. En de spiksplinternieuwe fles HG Afvoerstank verwijderaar.

CADEAUTJES VOOR MAMA

HET RELATIVERENDE VERMOGEN VAN EEN KEEPERTJE

Lang had ik getwijfeld. Of ik het moest doen, jeugdtrainer worden. Samenwerken met m’n zoontje, lukt dat? Mijn andere spruit minder zien voetballen, is dat eerlijk? Halverwege de opleiding van die gastjes als onervaren trainer instromen, verstandig? Ik besloot uiteindelijk de uitdaging aan te gaan.

Waarom? Johan Cruijff fascineerde mij. De dingen die hij zei, over voetbal. Ik begreep er geen snars van, maar ergens leek het te kloppen wat hij orakelde. Enkele maanden geleden woonde ik een bijeenkomst en voorbeeldtraining van Cruyff Football bij. Een organisatie onder leiding van Wim Jonk die zich tot doel heeft gesteld om de voetbalnalatenschap van Cruijff te bewaken en te verspreiden. Ik kreeg uitleg. In Jip en Janneke-taal werd me verteld wat de grote meester nu precies bedoelde. In heel grote lijnen: denk niet in systemen, maar in spelprincipes. Kauw die brakkies niets voor, maar help ze ontdekken. Train het individu en niet het team. Want: ‘Ik hep nog nooit een heel elftal zien debuteren in het eerste.’

Bloedfanatiek bereidde ik me tijdens het zomerreces voor. Hesjes regelen, oefeningen verzinnen, kleine balletjes kopen (afwisseling in ballen houdt je geconcentreerd bij de balbehandeling). Het vereenvoudigen van de spelprincipes, zodat het behapbaar zou zijn voor mijn JO13-1. De bal blijft altijd op de grond, de bal dusdanig aannemen dat je direct door kunt spelen, je hoeft niet per se naar voren te passen (ik liet ze een filmpje zien van een goal van Arsenal tegen Basel over 32 schijven). En als jij de bal wilt hebben, zorg dan dat je dichtbij genoeg bent. Alleen dan kan je maatje jou over de grond inspelen.

Vrijdagavond. Papiertje voor mijn neus, opstelling uitdenken. We hadden alle competitiewedstrijden al verloren, enkele behoorlijk dik en kansloos. De koploper kwam op visite. Moesten we opportunistischer gaan spelen, de verdediging had namelijk veel onder druk gestaan door mijn eis om de bal op de grond te houden? Of doorbijten, anders leren ze het nooit? Het laatste, hoopte ik. Zeer vurig.

Ik had slecht geslapen. Woelen, draaien, tobben. Jaag ik ze niet weer richting een gruwelijke oorwassing? We speelden op het hoofdveld. Voor het overdekte terras waar de ouders hun kinderen aanmoedigen. Het werd een geweldige wedstrijd. Slechts 1-1, maar ze hadden zoveel meer verdiend. Heerlijk als vader om te zien dat die kleine mannen en vrouw plezier beleefden aan hun sport, genieten als liefhebber van het verzorgde voetbal en de strijd. En heel veel opluchting als trainer. Het zat er dus wel in.

Door de meute heen liepen we richting kleedkamer. Complimentjes vielen de gladiatoren ten deel. Ze zaten op de bankjes, tegenover elkaar. Moegestreden. Ik vertelde dat ik van ze had genoten, gemeend. ‘En,’ zei ik, ‘de supporters zijn trots op jullie.’ Mijn keepertje, in de hoek van de kleedkamer, stootte zijn buurman aan. ‘Hoor je dat? Die vijf supporters zijn trots op ons.’ Ze proostten met hun bekertjes ranja. Relativeren, een gave.

HET RELATIVERENDE VERMOGEN VAN EEN KEEPERTJE